De Nederlandse golfsport zit nog altijd in de lift. De nieuwste cijfers (peildatum 1 april 2026) laten zien dat het aantal geregistreerde golfers is gestegen naar 445.009. Dat is een groei van 3,3 procent ten opzichte van vorig jaar. Geen explosie zoals tijdens corona, maar wel een duidelijke bevestiging: golf blijft aantrekkelijk voor een brede groep Nederlanders.

Die groei is niet overal gelijk. Zuid-Holland voert opnieuw de lijst aan met ruim 98.000 golfers, gevolgd door Noord-Holland en Noord-Brabant. In absolute aantallen verandert er weinig aan de top. Interessanter is waar het tempo het hoogst ligt. Overijssel springt eruit met een groei van 5,3 procent. Dat soort cijfers zegt iets: golf wint terrein buiten de traditionele bolwerken.
Tegelijk zijn er nuances. Friesland blijft met 6.769 golfers relatief klein, en Zeeland is zelfs de enige provincie waar een lichte daling zichtbaar is. Dat maakt duidelijk dat de groei geen vanzelfsprekendheid is. Lokale factoren, aanbod en toegankelijkheid spelen een grotere rol dan vaak wordt gedacht.
Op clubniveau zie je een nog duidelijker patroon. De grootste groeiers zijn geen klassieke verenigingen, maar partijen met flexibele lidmaatschappen. Denk aan organisaties waar je laagdrempelig kunt instappen, zonder hoge vaste lasten of verplichtingen. Dat is geen toeval. De moderne golfer wil vrijheid: spelen wanneer het uitkomt, zonder vast te zitten aan één club.
Voor golfbanen en exploitanten brengt dit een duidelijke uitdaging met zich mee. Meer golfers betekent meer druk op de baan. Dat vraagt om slim onderhoud, duurzame keuzes en vooral: constante kwaliteit. Spelers accepteren minder snel slechte omstandigheden als ze keuze hebben.
De cijfers vertellen dus twee verhalen tegelijk. Ja, golf groeit. Maar de manier waarop mensen golfen verandert minstens zo snel. Flexibiliteit, toegankelijkheid en beleving worden steeds belangrijker.
De vraag is niet meer óf de sport groeit. De echte vraag is: wie weet die groei vast te houden – en wie wordt ingehaald?
